Tocht naar de dalen van den kinaboom (Peru), page 19 by Paul Marcoy
<< Return to Title Details & Download20
eroepen, was hun te hulp gekomen. Het vlot, met duizelingwekkende snelheid door den stroom medegesleept, was reeds vier krommingen der rivier doorgevlogen, en stond op het punt tegen een rotsbank te pletter te worden gestooten, toen een zijstrooming het had weggevoerd en tegen den linker oever geworpen. De schok was zoo hevig geweest, dat het vlot zich recht tegen den hoogen oever had opgericht, waar het door de lianen werd tegengehouden. De schipbreukelingen, met kracht tegen den grond geslingerd, waren weldra weder opgestaan en van den eersten schrik bekomen; begrijpende dat zij mij nog op dezelfde plaats zouden vinden, waar zij mij hadden achtergelaten, waren zij het bosch ingegaan. Op hun tocht hadden zij voortdurend met allerlei moeilijkheden te kampen gehad. Daar zij noch bijlen, noch messen bij zich hadden, hadden zij zich met hunne handen een doortocht moeten banen. Zoolang het dag was, ging dit tamelijk goed, maar toen de nacht was ingevallen, konden zij niet dan tastend voortgaan, en hadden zij geducht te lijden van de doornen en scherpe punten der struiken en planten, die zij in den donker niet konden zien. Hun gelaat, hunne handen en beenen droegen overal de sporen van deze onaangename aanrakingen; hunne kleederen hingen hen als lappen om het lijf. Maar toch hadden zij mij wedergevonden: wij waren weder bij elkaar, en de doorgestane vermoeienissen en gevaren waren vergeten.
Ons volk aan de overzijde, nog steeds in diepen slaap gedompeld, had niets gemerkt van de komst van den kolonel en de Bolivianen. Zij waren dan ook niet weinig verwonderd, toen zij, in plaats van één persoon, er vier op den oever zagen. Vol verbazing liepen zij naar den oever, wreven zich de oogen uit, en bleven ons een poos zwijgend aanstaren. Toen zij niet langer aan onze identiteit konden twijfelen, begonnen zij luidkeels te jubelen, terwijl de tolken gingen dansen van pret.
Half door roepen, half door gebaren, beduidden wij hun, dat zij dadelijk moesten opbreken en den rechter oever volgen, terwijl w