10
oorlijkheid bijzette. De rivier schitterde en fonkelde in het rijzende licht; gansche zwermen van watervogels vlogen, zwevende, rijzende en dalende, over de kalme oppervlakte; aan den anderen oever teekende zich, schemerachtig, half in een wazigen, blauwachtigen nevel gehuld, de lange lijn der wallen en vestingwerken. De lucht was, ondanks de zon, frisch en koel, en verkwikte en versterkte mij. Niets bijna is met deze wintermorgen in Indië te vergelijken: hij is even heerlijk als een lentedag in Europa; maar de eigenaardige, grootsche pracht dezer door de natuur zoo rijk begunstigde streken geeft aan alles eon onuitsprekelijk karakter van schoonheid en verhevenheid.
Nadat onze wagen veilig op den oever was geraakt, zetten wij onze paarden in galop en sloegen den weg naar Sirkhej in. Wij volgden een zandpad, nu en dan met gras begroeid, en ter wijderzijde omzoomd door hooge cactussen, door dwerg-vijgeboomen, geheel behangen en omwikkeld met convolvulussen en andere bloeiende lianen. Honderde fraaie, zilvergrijze tortelduiven vlogen bij onze nadering weg, en lieten dat eigenaardig geluid hooren, dat op een kort afgebroken lach gelijkt; schitterend gekleurde papegaaien vervulden de lucht met hunne schelle kreten, en overstemden bijna geheel het liefelijk gekweel der oostersche nachtegalen, dat ons uit de naburige boschjes tegenklonk. Eeuwenheugende reusachtige boomen spreidden hier en daar hunne breede armen beschermend uit over de in hunne schaduw wegduikende spitse koepels der witte grafmonumenten: liefelijkheid en statige ernst waren in dit landschap op het schoonste vereenigd.
Na een rit van een goed half uur bereikten wij eene tamelijk eentonige, maar welbebouwde vlakte, op eenigen afstand door de heuvelen van Sirkhej, op wier toppen zich de lijnen der monumenten tegen den helderen achtergrond afteekenen, begrensd. Vroeger nam de Soebermoetti haar loop langs den voet dezer heuvelen; hare uitgedroogde bedding, met fijn los zand gevuld, was nu een rijweg, waardoor onze paarden met moeite voor