20.000 Mijlen onder Zee: Oostelijk Halfrond, page 59 by Jules Verne
<< Return to Title Details & Download60
als de walvisschen adem te halen. De wijze van luchtverversching van het vaartuig had ik dus duidelijk herkend.
Toen ik die zuivere lucht met volle borst had ingeademd, zocht ik naar de geleidingsbuizen, welke dien weldadigen luchtstroom tot ons deden komen, en ik vond die spoedig. Boven de deur was een luchtgat, waardoor een stroom versche lucht kon binnen komen, om de bedorven atmosfeer van onze cel te ververschen.
Zóover was ik met mijne opmerkingen gekomen, toen Ned en Koenraad bijna tegelijk door dien stroom van versche lucht wakker werden. Zij wreven zich de oogen, rekten de armen uit en waren in een oogenblik op de been.
"Heeft mijnheer goed geslapen?" vroeg Koenraad mij met zijne gewone beleefdheid.
"Heel goed, mijn jongen," antwoordde ik, "en gij Ned Land?"
"Als een os, mijnheer de professor. Maar ik weet niet of ik mij vergis, het is alsof ik zeelucht inadem."
Een zeeman kon zich daarin niet bedriegen, en ik vertelde wat er gedurende hun slaap had plaats gehad.
"Zoo," zeide hij, "dat verklaart volkomen het gebrul dat wij hoorden, toen de Abraham Lincoln den zoogenaamden eenhoorn in het gezicht kreeg."
"Zoo is het Ned, het was zijne ademhaling."
"Maar, mijnheer Aronnax, ik kan in de verte zelfs niet gissen hoe laat het is, of het moest het uur van het middagmaal zijn?"
"Het uur van ons middagmaal, brave harpoenier? Zeg liever het uur van 't ontbijt, want wij zijn zeker reeds meer dan een dag hier."
"Dat bewijst," antwoordde Koenraad, "dat wij vierentwintig uur geslapen hebben."
"Zoo denk ik er ook over," antwoordde ik.
"Ik spreek u niet tegen," hernam Ned Land, "maar middagmaal of ontbijt, de hofmeester zal welkom zijn als hij het een en ander brengt."
"Het een en het ander," zeide Koenraad.
"Juist," antwoordde Ned, "wij hebben recht op een dubbel maal, en wat mij aangaat, ik zal aan beiden eer genoeg bewijzen."
"Welnu Ned, laat ons wachten," antwoordde ik, "het is duidel