20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond, page 209 by Jules Verne
<< Return to Title Details & Download210
en opende die zachtjes; in den salon heerschte een volslagen duisternis; slechts zeer zwak klonken de tonen van het orgel; kapitein Nemo zat dáar; hij zag mij niet; ik geloof dat hij mij niet gezien zou hebben, als alles helder verlicht ware geweest, zoo geheel was hij in verrukking geraakt! Ik sloop voorzichtig over het tapijt, en paste wel op nergens tegen te stooten, daar het minste geraas mijn tegenwoordigheid had kunnen verraden. Ik had vijf minuten noodig om de deur te bereiken, waardoor ik in de bibliotheek kon komen. Ik zou deze juist openen, toen een zucht van kapitein Nemo mij als op de plaats vastnagelde. Zelfs kon ik hem even zien, daar eenige lichstralen uit de bibliotheek onder de deur doordrongen. Hij kwam met over elkander geslagen armen naar mij toe, en gleed, meer dan hij liep, zwijgend evenals een spook voorwaarts. Hij snikte nu en dan, en ik hoorde hem deze woorden mompelen (de laatste welke ik van hem vernam); "Almachtige God! Genoeg! Genoeg!"
Was dit een bekentenis van het berouwvol geweten van dien man?....
Ontsteld vloog ik de bibliotheek binnen; ik beklom de middeltrap en kwam door de bovengang bij de sloep; ik kroop er binnen door de opening, waardoor mijn twee makkers reeds heen gekomen waren.
"Vluchten! vluchten!" riep ik.
"Aanstonds!" antwoordde de Amerikaan.
De opening in het pantser van den Nautilus werd eerst gesloten; daarna de opening in de sloep, en toen begon Ned Land de schroeven los te draaien, welke ons nog aan het onderzeesche vaartuig vasthechtten.
Plotseling hoorde wij daarbinnen een rumoer. Luide stemmen gaven elkander antwoord. Wat was er gebeurd? Had men onze vlucht bemerkt? Ik voelde dat Ned Land mij een dolk in de hand stopte.
"Ja!" mompelde ik, "wij zullen weten te sterven."
De Amerikaan hield met zijn werk op, maar een twintigmalen herhaald, een verschrikkelijk woord deed mij de oorzaak van het rumoer kennen, dat aan boord van den Nautilus heerschte. Het was niet op ons, dat haar bemanning het gemunt h