20.000 Mijlen onder Zee: Westelijk Halfrond, page 49 by Jules Verne

<< Return to Title Details & Download

 < previous  next > 

50

s electrisch licht helder werden beschenen; het was alsof het zeewater hoe langer hoe nauwer werd.

Kwart voor negen kwam het schip weer boven. Ik ging op het plat. Ongeduldig om door den tunnel te komen, kon ik niet lang stil blijven staan, en ademde de frissche zeelucht in. Weldra bemerkte ik in de duisternis een klein lichtje, dat dof door den nevel schijnend, op een kilometer voor ons zichtbaar was.

"Een drijvende vuurbaak!" zei een stem naast mij. Ik keerde mij om en herkende den kapitein.

"Het is het drijvend licht van Suez," zei hij: "wij zullen nu spoedig aan den ingang van den tunnel zijn."

"Die ingang moet niet gemakkelijk wezen?"

"Neen, mijnheer. Ook ben ik gewoon dan zelf aan het roer te gaan. Als gij nu naar beneden wilt, mijnheer Aronnax, dan kan de Nautilus in zee duiken, om niet eer weer aan de oppervlakte te verschijnen vóór wij den tunnel door zijn."

Ik volgde den kapitein. Het luik ging dicht; de waterbakken werden gevuld, en het vaartuig zonk ongeveer tien meter onder de golven. Toen ik naar mijn kamer wilde gaan, hield Nemo mij staande.

"Zeg eens, mijnheer de professor," zet hij, "zoudt gij mij gaarne in den stuurstoel willen vergezellen?"

"Ik durfde het u niet te vragen," antwoordde ik.

"Kom maar mee, dan zult gij al het mogelijke van deze onderzeesche vaart zien."

De kapitein bracht mij naar de middeltrap; halverwege opende hij een deur, volgde een bovengang, en kwam in den stuurstoel, die zooals men weet aan het einde van het plat boven in het vaartuig lag.

Het was een hut van zes voet in het vierkant, ongeveer zooals de stuurlieden aan boord van de stoombooten op de Mississippi en den Hudson hebben. In het midden stond een vertikaal rad, dat ingreep in de takels van het roer, dat tot achter onder den Nautilus reikte. Vier groote lenzen, in de vier zijden van de hut aangebracht, lieten den stuurman naar alle zijden vrijen uitkijk.

De hut was donker, maar weldra was ik aan de duisternis gewoon,

 < previous  next >